Voorgeschiedenis van het deltaplan

Voorgeschiedenis van het deltaplan

Zeer vele zijn de rampen geweest, die ons land in de loop van der eeuwen hebben getroffen door het bezwijken van het hoogwaterkeringen bij stormvloed. Te verwondering valt dit niet indien met bedenkt, dat bij de aanleg en verbeterring van de dijken of andere waterkeringen steeds het oog is gericht werd op verleden zonder rekening te houden met de ontwikkeling van ongunstige situaties in de toekomst. Immers ter bepaling van de hoogte van de keringen en de dijken nam met als maatstaf de hoogst bekende stormvloedkering. En dat is natuurlijk niet een goede maatstaf. En daar kwamen ze dan te laat achter als er weer een dijk doorbraak was. Een record is namelijk altijd voorbestemd om weer verbroken te worden.

In de jaren tussen de wereldoorlogen werd het besef levend, dat er voor een goede veiligheid een andere maatstaf moest zijn. Degene, dus de hoogste waterstand, was niet goed.  Bij K.B van 20 maart 1916 werd een commissie ter inzake de hoge stormvloeden op de Rotterdamse waterweg ingesteld. Deze commissie kwam in april 1920 met een verslag. Gedurende de daarop volgende jaren verdiepte kwam er steeds meer kennis over de getijde van de beneden rivieren. Dit was van cruciaal belang.  Het werk van ir.J.J.Canter Cremers, ir.J.F. Schonfeld en dr.ir.J.van Veen heeft hieraan veel bijgedragen. In 1939 verscheen een artikel in de “ingenieur”  over de wetmatigheden in het optreden van de stormvloedstanden van de hand van ir.P.J.Wenelsfelder. Met behulp van in dit artikel beschreven methode, die berust op het statistische verwerken van de waargenomen hoog water standen. Hierdoor kreeg men inzicht hoeveel de kans was dat een bepaald waterstand werd bereikt. En dat kun je natuurlijk weer goed gebruiken als maatstaf voor de dijken en waterkeringen 

Op 28 april 1939 stelde de toenmalige Minister van Waterstaat de z.g. Stormvloedcommissie in, waarvan de taak betrekking had op het gehele land en dus een grotere taak had dan de commissie van 1916. Deze commissie bracht in 1940 een voorlopig verslag uit, waarin zij als haar mening uitsprak dat voortaan rekening gehouden moest worden gehouden met stormvloedstanden, die gemiddeld 3 maal per duizend jaar voorkomen of worden overschreden. Een exacte basis voor de uitspraak, dat voortaan rekening moest worden gehouden met stroomvloedstanden die dus 3 keer per duizend jaar voorkwam of werd overschreden voor het bepalen van de dijkhoogte, ontbrak. In het voorlopig verslag wordt voor Hoek van Holland als maatgevende vloedstand 4 meter boven het N.A.P opgegeven voor het jaar 2000. Er werd met berekening van deze vloedstand rekening gehouden met de bodemdaling van Nederland tot het jaar 2000. Ook werd er rekening gehouden met de verbetering van de mond van de Rotterdamse waterweg en de invloed van andere waterkundige werken zoals de inpoldering van de Biesbosch 

Voor en tijdens de tweede wereld oorlog werden er verscheidende plannen gemaakt voor een betere beveiliging van het Zuid-Hollandse eilanden gebied, waarbij tevens gezocht werd naar om de voortschrijdende verzilting terug te dringen. Bij bestudering van de deze plannen kwam men via het inmiddels uitgevoerde plan tot afsluiting van de Brielsche Maas en de Botlek ter vorming van een zoetwaterboezem voor de verziltende eilanden Rozenburg en Voorne-Putten, tot een vier-eilanden plan waarbij Rozenburg, Voorne Putten, de Hoeksche Waard en Ijsselmonde één van de zee afgesloten gebied zouden vormen Omdat in dit plan het Eiland van Dordrecht niet in het plan was opgenomen, zou dit eiland afzonderlijk tegen de stormvloeden beschermd moeten worden, waardoor de zeehaven van Dordrecht achter twee sluizen zou komen te liggen. En dat kan natuurlijk niet, omdat dat het einde van de zeehaven in Dordrecht zou betekenen.

 

Terug naar hoofdmenu